De Basiliek

Geschiedenis

Het was de droom van onze eerste vorsten de hoogvlakte van Koekelberg, eertijds onbewoond, om te bouwen tot een “Koninklijke Wijk”. Op het einde van de regering van Leopold I vindt men reeds schetsen en plannen voor de aanleg.

Iets voor 1880 wilde Leopold II dit deel van Brussel urbaniseren naar het model van de “Sorbonne-Wijk” in Parijs. De kroon op het werk zou een Pantheon zijn ter ere van de Groten van het land en wellicht bestemd als begraafplaats voor Nationale Glorie.

pantheon

Hierin weinig gesteund geeft de Vorst het ontwerp op, maar met het oog op de 75ste verjaardag van de onafhankelijkheid van het land overweegt hij de oprichting van een nationaal heiligdom gewijd aan het Heilig Hart, dat de vergelijking met de “Basilique du Sacré Cœur” van Montmartre kan doorstaan. Door Parijs gefascineerd wil de koning te Koekelberg een kerk laten bouwen te midden van een werkelijke “ster” van lanen met een eigen “Champs-Elysées” die naar de hoofdstad leidt. Over hem schrijft E. Carton de Wiart in zijn boek Léopold II, Souvenirs des dernières années (1901 – 1914): “De berg van het Gerecht is er, ginder in Koekelberg moet de berg van de Goede God komen en hier de Kunstberg.” Naast het Justitiepaleis van Poelaert zag Koning Leopold II nog twee andere stedenbouwkundige bakens in de stad.

Op 12 oktober 1905 legt Koning Leopold II de eerste steen van dit gebouw. Het eerste ontwerp van architect Langerock (1903) voorzag een pralerige tempel in gotische stijl van het Franse type uit de Xlllde eeuw.

Toen de eerste wereldoorlog uitbrak waren slechts de grondwerken beëindigd. In zijn kerstboodschap van 1914 gaf Kardinaal Mercier de kerk een nieuwe betekenis: “Zodra ons land opnieuw vrede kent, zullen wij het puin heropbouwen en hopen we als bekroning van deze wederopbouw op het hoogste punt van de hoofdstad een Nationale Basiliek van het Heilig Hart op te richten”.

Op 29 juni 1919 werd deze belofte tijdens een plechtigheid op de hoogvlakte van Koekelberg door Koning Albert I, de autoriteiten van het land en een talrijke menigte onderschreven. Van uitvoering volgens het project Langerock was, gezien de financiële toestand van de schatkist, geen sprake meer.

Albert Van huffel, een Gentenaar, werd aangesteld om een nieuw ontwerp te tekenen. Een verkleind model op schaal 1/40ste werd in 1925 op de tentoonstelling van decoratieve kunsten in Parijs tentoongesteld. Van huffel won met deze maquette de eerste prijs. Sedertdien groeide dit monument langzamerhand dankzij de zorgen van zijn promotor en, na zijn dood op 16 maart 1935, van zijn medewerker, de ingenieur-architect Paul Rome (┼ 7 juni 1989).

De aanpassing en de uitbreiding van de bestaande funderingen werden in januari 1926 aangevat. De aannemers begonnen de werkzaamheden in 1930 met de oprichting van de apsis, die in mei 1935 werd ingewijd en voor de cultus opengesteld. De basis van de koepel stond klaar toen in 1940 de tweede wereldoorlog uitbrak en de werken werden stopgezet. Deze werden in september 1944 hervat en de grote beuk werd in 1951 afgewerkt.

Er ontbrak niets essentieels toen Kardinaal Van Roey op 13 en 14 oktober 1951 de grote plechtigheden voorzat voor de inwijding van de kerk. Op 28 januari 1952 verleende  Paus Pius XII  de kerk de titel “Basilica Minor”.

De werken aan de twee torens werden in 1953 beëindigd. De zuidelijke zijbeuk werd in 1958 opengesteld en de noordelijke in 1962.

De grote koepel was klaar in 1969 en op 11 november 1970 bekroonde de plechtigheid van het 25-jarig bisschopsjubileum van Kardinaal Suenens de volledige afwerking van de Basiliek.

De architect

Na het afvoeren van het project Langerock na de eerste wereldoorlog (door de hoge kostprijs), werd de Gentse architect Albert Van huffel (°Gent 1877 – ┼ Tervuren 1935) aangesteld om een ontwerp te maken voor de Basiliek van het Heilig Hart.

Door zijn bescheiden komaf combineerde Albert Van huffel zijn studies van beeldend kunstenaar aan de Gentse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten noodgedwongen met het aanleren van diverse vaardigheden in beroepsscholen. Later vestigde hij zich als zelfstandig architect en decorateur. Van 1918 tot 1925 was hij artistiek directeur van het Brussels bedrijf “l’Art Décoratif Céline Dangotte”. Hij was eveneens titularis van de cursus ornamentiek aan het Hoger Instituut voor Sierkunsten in Brussel.

Het beginwerk van Van huffel was vrij eclectisch, maar in de jaren 1920 maakt hij een belangrijke evolutie door. Eenvoud en geometrie worden de belangrijkste kenmerken van zijn werk. Van huffel is op zoek naar een coherent, functioneel en mooi geheel, waarin het meubilair, de decoratie en de architectuur geïntegreerd zijn.

In 1921 was zijn eerste ontwerp voor de basiliek af. Hij maakte een maquette op schaal 1/40, waarmee hij de grote architectuurprijs won op de Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes in Parijs. De maquette staat nog altijd te pronken in de basiliek.

maquette basiliek van koekelberg

Na de dood van Albert Van huffel in 1935 wordt Paul Rome, zijn rechterhand, hoofdarchitect. Hij voert de plannen van Van huffel nauwgezet uit. Hij voert enkel technische verbeteringen en enkele wijzigingen aan de koepel uit.

graf Albert Van huffel